Vraag 5: Mijn kind ontwikkelt zich niet volgens het gemiddelde, moet ik mij zorgen maken?

De motorische ontwikkeling van een kind is een razend interessant onderwerp (al zijn we als kinderfysiotherapeut misschien bevooroordeeld). In dit artikel bespreken we de normaal en ontkrachten we mythes. Om voorgaande zin maar gelijk in perspectief te plaatsen: De grootste mythe is dat ‘de normale ontwikkeling’ bestaat.

Normaalcurve en spreiding

De motorische ontwikkeling van een gezond kind is van veel, heel veel factoren afhankelijk. Denk hierbij aan kindfactoren: kracht, tonus (spierspanning), sensorische informatieverwerking, temperament, groei, slaap en voedselinname. Maar ook van de omgeving: uitdagende omgeving of sensitieve ouders om maar even twee te noemen. Het is dan ook niet mogelijk om precies uit te stippelen hoe de motorische ontwikkeling van een kind eruit gaat zien. Daarom wordt er zoveel mogelijk gewerkt met een gemiddelde én met de bijbehorende spreiding.

Een voorbeeld: Gemiddeld kan een kind 10 seconden rechtop zitten zonder steun van de handen met de leeftijd van 5,9 maanden. Maar, er zijn ook kinderen die met de leeftijd van 3,8 maanden of pas met 9,2 maanden deze zogenoemde mijlpaal behalen.

De mijlpalen zijn dus geen harde mijlpalen. Er is een grote spreiding mogelijk. Je kunt ook niet zeggen dat een kind die met 3,8 maanden zit zich beter of slechter ontwikkelt dan een kind die later zit. Het zou kunnen dat de motoriek bij de vlugge zitter zich te eenzijdig ontwikkelt, maar het zou ook prima kunnen dat er wel sprake is van een rijke variatie en dat we te maken hebben met een zeer rappe baby.

Als kinderfysiotherapeut maken we gebruik van gestandaardiseerde testen. De bedoeling is dat deze testen zo precies mogelijk volgens het boekje worden uitgevoerd. Voorbeelden van deze testen zijn de Bayley Scales Infant Development III (BSID III) of de Alberta Infant Motor Scales (AIMS) voor zuigelingen en de Movement Assessment Battery for Children II (M-ABC2) voor oudere kinderen. Aan de hand van deze testen kan gescoord worden wat een kind al wel en niet kan. Vervolgens kan door middel van normwaarden bekeken worden of de score dusdanig buiten de normale verdeling ligt dat er gesproken wordt van een vertraagde motorische ontwikkeling.

1. Deze groep scoort gemiddeld (samen met de groep kinderen aan de andere kant van de blauwe lijn).

2. Deze groep scoort ondergemiddeld

3. Deze groep scoort onvoldoende

Het is dus geen enkel probleem als een kind onder de gemiddelde lijn scoort. En het streven moet dus ook niet zijn om precies gemiddeld te scoren. En nog steeds blijven we kritisch als een kind onvoldoende scoort. Als het kind een aanwijsbare reden heeft waarom de ontwikkeling wat langzamer gaat, maar het volgt wel zijn eigen lijn, dan nog hoeft er geen probleem te zijn. We blijven dus continu een afweging maken: heeft het kind er nu last van, kan het kind er last van krijgen als we niks doen, etc. En als we zien dat er een probleem is of naar alle waarschijnlijkheid gaat ontstaan, dan gaan we op speelse wijze aan de slag.

Wel is het dus raadzaam om bij twijfel contact op te nemen met een kinderfysiotherapeut. Samen maken we een afweging met eventueel een bijbehorend plan.